Staatssecretaris Van Rij geeft in een Kamerbrief een overzicht van de stand van zaken met betrekking tot box 3. De invoering van een nieuw stelsel voor box 3 wordt uitgesteld naar 2026.
Het rechtsherstel in box 3 is inmiddels in gang gezet. Dit gebeurt volgens de forfaitaire spaarvariant. Belastingplichtigen met uitsluitend spaargeld krijgen hierdoor (vrijwel) de gehele box 3-heffing terug, omdat het rendement op spaargeld de afgelopen jaren vrijwel nihil was. Burgers die meededen aan de massaalbezwaarprocedure tegen de box 3-heffing over 2017 – 2020, hebben de afgelopen weken een brief van de Belastingdienst ontvangen.
Aanslag inkomstenbelasting 2021
Op 22 augustus is de Belastingdienst gestart met de verzending van de eerste aanslagen inkomstenbelasting aan mensen die aangifte hebben gedaan van inkomen in box 3 over het belastingjaar 2021. Deze aanslagen worden gefaseerd verstuurd om een te grote belasting van de Belastingdienst te voorkomen. Dit betekent dat mensen met inkomen in box 3 volgens de planning van augustus tot en met half december hun aanslag inkomstenbelasting over 2021 kunnen verwachten. Zij hoeven hiervoor niets te doen.
Mensen met inkomen in box 3 over belastingjaar 2021 die aangifte hebben gedaan, kunnen hun aangifte 2021 online aanpassen. Hiervoor is een nieuwe versie van het online aangifteprogramma beschikbaar op de website van de Belastingdienst. Zo kunnen ze bijvoorbeeld de partnerverdeling veranderen tot het moment dat de aanslagen van beide partners onherroepelijk zijn, of als ze toch in aanmerking komen voor aftrek van zorgkosten of giften (als gevolg van een lager verzamelinkomen door de nieuwe berekening), dit opnemen in de aangifte. De aanslagen van mensen met inkomen in box 3 over het belastingjaar 2021 worden opgelegd op basis van de forfaitaire spaarvariant als deze gunstiger is voor de belastingplichtige. Is dit niet het geval, dan wordt nog het oude box 3 stelsel toegepast.
Verdere planning rechtsherstel
Vanaf medio september wordt volgens de huidige planning gestart met het rechtsherstel voor de aanslagen over 2017 tot en met 2020 die op 24 december 2021 nog niet onherroepelijk vaststonden of nog niet zijn vastgesteld. Met Prinsjesdag maakt het kabinet de uitkomsten van de integrale besluitvorming over de begroting bekend en geeft daar toelichting op, waaronder ook over niet-bezwaarmakers in box 3.
Wetgeving
Op 30 juni is het beleidsbesluit voor het rechtsherstel gepubliceerd. Dit besluit was nodig om te kunnen starten met het rechtsherstel voor de bezwaarmakers, zodat zij voor 4 augustus herstel konden ontvangen. Dit beleidsbesluit wordt in wetgeving omgezet. De Kamer zal dit wetsvoorstel ontvangen als onderdeel van het pakket Belastingplan 2023.
Tot de invoering van een stelsel op basis van werkelijk rendement is overbruggende wetgeving voor box 3 ontworpen. Deze wetgeving zal in de tussenliggende periode het huidige box 3-stelsel vervangen en wordt gebaseerd op de voor het rechtsherstel gekozen oplossingen, de forfaitaire spaarvariant. Hierdoor zullen spaarders – uitgaande van de huidige rendementen op spaargeld – ook in de overbruggingswetgeving vrijwel geen belasting betalen in box 3. Met het wetsvoorstel wordt box 3 met ingang van het belastingjaar 2023 aangepast. De wetswijzigingen worden vormgegeven in een zelfstandig wetsvoorstel “Overbruggingswet box 3” en zullen ook onderdeel uitmaken van het pakket Belastingplan 2023.
Gezamenlijk met de andere wetsvoorstellen in het pakket Belastingplan 2023 worden deze voorstellen op Prinsjesdag 2022 aan de Kamer aangeboden. Het gehele pakket zal het gebruikelijke wetgevingstraject doorlopen zodat inwerkingtreding daarvan per 1 januari 2023 mogelijk is.
Openstaande toezeggingen
Toezegging informeren burgers over aanslag 2021
Eerder is toegezegd dat mensen met inkomen in box 3 worden geïnformeerd dat zij de definitieve aanslagen waarschijnlijk later dan de gebruikelijke datum van 1 juli opgelegd krijgen. Belastingplichtigen die vóór 1 mei 2022 aangifte inkomstenbelasting over 2021 hebben gedaan met inkomen in box 3 zijn inmiddels door de Belastingdienst geïnformeerd dat zij de definitieve aanslag later dan normaal krijgen omdat de systemen van de Belastingdienst worden aangepast voor de nieuwe berekening van het inkomen in box 3 in verband met de uitspraak van de Hoge Raad van 24 december 2021.
Wel is aan degenen die geld terugkrijgen al een voorlopige aanslag met de oude berekening van box 3 opgelegd. De Belastingdienst wil hiermee voorkomen dat belastingplichtigen langer op een belastingteruggave moeten wachten dan normaal. Aan de belastingplichtigen die in de periode van 1 mei tot 15 juni aangifte met inkomen in box 3 in 2021 hebben gedaan, is in de eerste helft van augustus ook per brief het streven medegedeeld dat zij de aanslag inkomstenbelasting 2021 tussen 1 augustus en 31 december 2022 ontvangen. Als er door ontwikkelingen bij de hersteloperatie voor de belastingplichtigen die na 15 juni aangifte hebben gedaan niet kan worden voldaan aan het streven om binnen drie maanden na de aangifte bericht te sturen, dan worden zij daarover in september geïnformeerd.
Toezegging over exacte budgettaire effect van doorwerking naar inkomensafhankelijke regelingen.
Om o.a. privacy redenen kan de Belastingdienst bij de aanlevering van gewijzigde verzamelinkomens aan andere departementen niet per individueel geval de reden van aanpassing meeleveren. Het is daarom voor ontvangers van deze gegevens niet vast te stellen waarom het verzamelinkomen is aangepast, waardoor een exacte vaststelling van de budgettaire effecten niet mogelijk is.
Een box 3-stelsel op basis van werkelijk rendement
Een succesvolle implementatie van een box 3-stelsel op basis van werkelijk rendement per belastingjaar 2025 is niet realistisch. Het kabinet heeft daarom besloten om te koersen op de invoering van het nieuwe stelsel met ingang van het belastingjaar 2026. De budgettaire derving als gevolg hiervan is eenmalig € 385 miljoen. De overbruggingswetgeving zal hierdoor een jaar langer van kracht zijn. Spaarders zullen – net zoals bij het toekomstige stelsel op basis van werkelijk rendement – tijdens de overbruggingsfase vrijwel geen belasting in box 3 betalen als het rendement op spaargeld op het huidige lage niveau blijft.
Toezeggingen en moties over vormgeving box 3-stelsel
In een brief later in september zal Van Rij ingaan op de volgende onderwerpen:
Systeemvergelijking tussen een vermogensaanwasbelasting en een vermogenswinstbelasting, waarbij – ondersteund met cijfermatige uitwerkingen en microberekeningen – onder andere wordt ingegaan op de budgettaire opbrengst, liquiditeitsproblematiek, mogelijke economische verstoringen en uitvoeringsaspecten vanuit het perspectief van burgers, de Belastingdienst en ketenpartners;
Opties om rekening te houden met inflatie;
Effect van kwijtscheldingswinst op het armoede- en schuldenbeleid;
Box-arbitrage, ontwijkingsmogelijkheden en het belasten van vermogen in de breedte (in box 2 en box 3, vermogen in onroerend goed via buitenlandse constructies en andere relevante constructies);
Opties om de werkelijke waardeontwikkeling van onroerende zaken al vanaf inwerkingtreding te belasten, bijvoorbeeld door gebruik te maken van de WOZ-waarde;
Beoordeling door de inspecteur of kunst hoofdzakelijk ter belegging wordt gehouden;
Interactie met toeslagen.
Bron: Taxence dd 05 september 2022 door Anne-Marie Noordenbos en Kamerbrief Stand van zaken box 3, nr. 2022-00000218586, Ministerie van Financien, 5 september2022
Het pakket Belastingplan 2023 zal hoogstwaarschijnlijk verschillende (geleidelijke) fiscale wijzigingen voor ondernemers bevatten. Een vooruitblik op de wijzigingen voor ondernemers.
Afschaffing fiscale oudedagsreserve
Heeft een ondernemer aan het begin van een jaar nog niet de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt? Dan mag hij in beginsel zijn fiscale winst verlagen met een dotatie aan de fiscale oudedagsreserve (FOR) als hij voldoet aan het urencriterium. De hoogte van deze dotatie kent een aantal grenzen. De FOR is geen echte oudedagsvoorziening, maar een fiscale uitstelpost. Het kabinet wil de FOR afschaffen. Dat zal gebeuren door per 1 januari 2023 de fiscaal gefacilieerde opbouw van de FOR te stoppen. Een ondernemers zal de FOR die hij vóór die datum heeft opgebouwd nog wel kunnen afwikkelen.
Afbouw zelfstandigenaftrek
Het Belastingplan 2023 zal de al begonnen afbouw van de zelfstandigenaftrek versnellen. Het is de bedoeling dat met ingang van 2023 in zes stappen van € 650 een afbouw plaatsvindt. Daarna vindt nog een verdere afbouw plaats in twee stappen van € 605 naar uiteindelijk € 1.200 in 2030.
Afschaffing middelingsregeling
Het kabinet wil per 1 januari 2023 de middelingsregeling afschaffen. Het laatste tijdvak waarover men kan middelen zal dus bestaan uit de jaren 2022, 2023 en 2024.
Invoering progressief tarief in box 2
Terwijl box 2 in 2022 één tarief van 26,9% kent, zullen inkomsten uit aanmerkelijk belang (ab) per 2024 belast zijn tegen een progressief tarief. Het inkomen uit ab tot en met € 67.000 zal onder een tarief van 26% vallen. Het meerdere valt onder een tarief van 29,5%.
Afbouw van algemene heffingskorting bij hoog verzamelinkomen
De huidige algemene heffingskorting bedraagt € 2.888 minus 6,007% van het inkomen uit werk en woning voor zover dat meer bedraagt dan € 21.317. De algemene heffingskorting is echter nooit een negatief bedrag. Het Belastingplan 2023 bevat een maatregel om de algemene heffingskorting afhankelijk te maken van het verzamelinkomen. Dat betekent dat de inkomens uit box 2 en box 3 ook gaan meetellen.
Stapsgewijze afschaffing inkomensafhankelijke combinatiekorting
Onder voorwaarden kan een IB-ondernemer nu nog recht hebben op de inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK). In het coalitieakkoord is de afschaffing van de IACK per 1 januari 2025 aangekondigd. Maar deze afschaffing zal stapsgewijs plaatsvinden. Bovendien blijven ouders met kinderen die zijn geboren vóór 2025 hun recht op de IACK houden.
Verkleining eerste schijf vennootschapsbelasting
Nu is het tarief van de vennootschapsbelasting 15% voor de eerste € 395.000 aan fiscale winst en 25,8% over de rest. De wetgever wil deze eerste schijf per 1 januari 2023 terugbrengen tot € 200.000.
Lachgas onder normaal tarief
Op 1 juni 2021 oordeelde Hof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2021:5432) dat de levering van patronen met lachgas, die waren gebruikt in slagroomspuitbussen, onder het verlaagde btw-tarief vielen. Omdat lachgas in de praktijk ook wordt gebruikt als recreatief roesmiddel, wil het kabinet dat de levering van lachgas altijd is belast tegen het normale tarief. Het Belastingplan 2023 zal daartoe een maatregel bevatten.
Btw-nultarief voor zonnepanelen op woningen
EU-lidstaten mogen een btw-nultarief toepassen op de levering en installatie van zonnepanelen op onder meer woningen. Het kabinet wil deze mogelijkheid graag benutten. Daarbij is zijn motivering als volgt. Dankzij een btw-nultarief drukt geen btw meer op de aanschaf en de installatie van de zonnepanelen op woningen. Particuliere zonnepaneelhouders hebben daardoor geen belang meer bij het terugvragen van de btw over deze zonnepanelen. Vaak hoeven zij zich dan ook niet meer aan te melden voor de kleineondernemersregeling. In de meeste gevallen zullen zonnepanelen daardoor op woningen zijn te installeren zonder btw-druk en -verplichtingen.
Wet: art. 3.67, 3.76, 3.154, 8.10 en 8.14a Wet IB 2001, art. 9 Wet OB 1968 en tabel I post a.1 en art. 22 Wet Vpb 1969
Bron: Taxence door Remco Latour, 15 augustus 2022; Ministerie van Financiën 3 juni 2022, nr. 2022-0000132565
Heeft u – vanwege aangifteverzuim – een naheffingsaanslag omzetbelasting over het 2e kwartaal 2021 of over juni 2021 ontvangen, met dagtekening 28 augustus 2021? Maar hebt u wel op tijd aangifte gedaan en daar een ontvangstbevestiging voor ontvangen? Dan heeft de Belastingdienst deze naheffingsaanslag onterecht opgelegd.
Door een technisch probleem is er iets misgegaan met het verwerken van de aangifte. De Belastingdienst verwerkt de aangifte alsnog goed. De aanslag wordt aangepast op basis van de aangifte die u al op tijd hebt ingediend. U krijgt daarover nog bericht. U hoeft niets te doen.
Omdat de Belastingdienst de aangiften handmatig moet verwerken, kan het nog enkele weken duren voordat u bericht krijgt. Als het langer duurt, dan kunt u dit lezen op Forum Fiscaal Dienstverleners en belastingdienst.nl.
Bron: Forum Fiscaal Dienstverleners, 28 Augustus 2021
Staatssecretaris Vijlbrief heeft aan de Tweede Kamer geschreven niets te willen veranderen aan het ingediende wetsvoorstel excessief lenen bij de eigen vennootschap vanwege de coronacrisis.
De vaste commissie van Financiën had de staatssecretaris verzocht de Tweede Kamer te informeren over de gevolgen van de coronapandemie voor het wetsvoorstel excessief lenen bij de eigen vennootschap (hierna: het wetsvoorstel) . Door de coronapandemie zijn veel ondernemers financieel geraakt. Beschikken deze ondernemers nog over voldoende middelen om de liquiditeitspositie van hun vennootschappen te waarborgen?
Onvoldoende gegevens beschikbaar
Er zijn op dit moment nog geen aangiftegegevens beschikbaar over 2020 en 2021 Er kan daarom nog geen inschatting worden gemaakt wat de ontwikkeling is geweest van het aantal ab-houders met excessieve schulden tijdens de coronacrisis. In 2019 hebben bovendien veel ab-houders hun schulden al deels afgelost. Mogelijk heeft dat te maken met aankondiging van het wetsvoorstel. Door aflossing van de schulden is de liquiditeitspositie van bv’s al verbeterd.
Voldoende maatregelen vanwege coronacrisis genomen
Het kabinet heeft juist vanwege de coronacrisis al uitgebreide steunmaatregelen voor ondernemers genomen. Door de coronacrisis is de inwerkingtreding van het wetsvoorstel bovendien al met een jaar uitgesteld. Ondernemers hebben daarom een jaar extra gekregen om te anticiperen op het wetsvoorstel. De inwerkingtreding is gepland op 1 januari 2023, zodat de eerste peildatum 31 december 2023 zal zijn. Daar komt bij dat het wetsvoorstel alleen van invloed is op ab-houders met meer dan € 500.000 schuld aan hun eigen bv.
Bron: Taxence door Michel Halters, 5 juli 2021
Kamerbrief van 2 juli 2021 met nadere informatie Wet excessief lenen bij eigen vennootschap, kenmerk 2021-0000126845
Als een dga eenmaal met zijn bv heeft afgesproken dat hij rente over de rekening-courant vergoedt, moet hij deze ook voldoen. Anders geniet hij een verkapt dividend.
Een dga had in 2013 een overeenkomst inzake rekening-courant (rc) gesloten met zijn bv. Op grond van deze overeenkomst zou de bv over het saldo een rente van 5% per jaar berekenen. De bv bracht de dga echter geen rente over 2015 en 2016 in rekening. De Belastingdienst ziet in het niet doorberekenen van rente over de rekening-courant een verkapte winstuitdeling. Ook Rechtbank Gelderland komt tot die conclusie. De bv had recht op een rentevergoeding van de dga, maar heeft deze niet ontvangen of bijgeschreven. De bv heeft daarmee afgezien van een voordeel en zo haar dga verrijkt. Het bedrag aan misgelopen rente heeft het vermogen van de bv definitief verlaten. Omdat zowel de dga als zijn bv wist van de inhoud van de overeenkomst, waren zij zich bewust van de bevoordeling van de dga.
Wet: art. 4.12 Wet IB 2001
Bron: Taxence door Remco Latour 20 augustus 2021. Rechtbank Gelderland 28 juni 2021 (gepubliceerd 18 augustus 2021), ECLI:NL:RBGEL:2021:3248, 19/6812 en 19/7353
Het handhavings- en toezichtbeleid van de Belastingdienst voor de wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties (DBA) blijft vooralsnog ongewijzigd. Dit in tegenstelling tot berichten in de media over mogelijke wijzigingen.
Het huidige handhavingsmoratorium loopt tot minimaal 1 oktober 2021 en eindigt pas wanneer het kabinet dit besluit. Tot die besluitvorming blijft de huidige situatie van kracht en voert de Belastingdienst het Toezichtplan Arbeidsrelaties uit.
Sinds 1 januari 2020 kan de Belastingdienst meer handhaven op arbeidsrelaties bij opdrachtgevers. Er kunnen correctieverplichtingen en naheffingsaanslagen worden opgelegd, eventueel met een boete. Handhaving op de loonheffingen vindt alleen plaats bij kwaadwillende opdrachtgevers en opdrachtgevers die aanwijzingen hebben gekregen van de Belastingdienst en die niet opvolgen binnen een redelijke termijn. Dit wordt het handhavingsmoratorium genoemd.
Aan handhaving gaat altijd toezicht vooraf. Dit kan bijvoorbeeld beginnen met een bedrijfsbezoek en uitmonden in een boekenonderzoek.
Pilot webmodule
Deze pilot startte in januari 2021 en heeft een looptijd van minimaal 6 maanden. Werkgevers gebruiken een speciale webmodule om te zien of iemand terecht buiten dienstbetrekking werkt. Naar verwachting volgt in oktober 2021 meer over de uitkomsten van de pilot. Een nieuw kabinet zal daarna een beslissing over de voortzetting van de Wet DBA nemen.
DBA: hoe zat het ook alweer?
Door de DBA is de Verklaring Arbeidsrelatie (VAR) vervallen. Opdrachtgevers en opdrachtnemers maken binnen hun arbeidsrelatie afspraken. Samen beoordelen zij of sprake is van loondienst. Bij twijfel kan een modelovereenkomst zekerheid geven. Als sprake is van loondienst moet de werkgever loonheffingen inhouden en betalen. Ook moet hij meestal loon doorbetalen bij ziekte en vakantie en gelden bijvoorbeeld specifieke regels bij ontslag.
Bron: Forum Fiscaal Dienstverleners 23 juli 2021
De Belastingdienst herstelt een jarenlang gemaakte systeemfout en verlaagt alsnog ten onrechte in rekening gebrachte aanmanings- of dwangbevelkosten. De terugbetaling van deze kosten is gestart en loopt tot eind 2021.
Burgers en bedrijven die 1 of meer aanslagen vanaf 2011 niet (of niet op tijd) betaalden, kregen een aanmaning of dwangbevel met daarin vervolgingskosten. Als de aanslagen verminderden, had de Belastingdienst ook deze kosten moeten verminderen. Door een fout in de systemen is dit niet altijd gebeurd.
De Belastingdienst is gestart met terugbetaling van de kosten van zo’n 600.000 aanslagen, waarvan het bij ruim twee derde om minder dan € 30 gaat. De veelal eenmalige terugbetaling voert de Belastingdienst automatisch uit. Bij 140.000 aanslagen is sprake van complexere aanslagen.
De eerste brief met uitleg over het herstel valt op 3 augustus 2021 bij ongeveer 25.000 belanghebbenden op de mat. De Belastingdienst verwacht hierover veel vragen en heeft een apart telefoonnummer beschikbaar (0800 – 235 83 59). Ook is informatie te raadplegen op de internetsite van de Belastingdienst. Meer informatie staat op belastingdienst.nl of in de Kamerbrief over vervolgingskosten en invorderingsrente.
Bron: Forum Fiscaal Dienstverleners, 4 augustus 2021
Webshopeigenaren die te maken hebben met e-commerce, kunnen een grote verandering verwachten. Vanaf 1 juli 2021 moeten zij btw afdragen in andere EU-lidstaten als de omzet van hun afstandsverkopen en digitale diensten aan consumenten uit andere EU-lidstaten de grens van € 10.000 per jaar overschrijdt. Met het nieuwe One-Shop-Stop-systeem kunnen zij de verschuldigde buitenlandse btw aangeven.
Regeling tot 1 juli 2021
Als een Nederlandse btw-ondernemer producten verkoopt aan consumenten in andere EU-landen, is tot en met 30 juni 2021 de afstandsverkopenregeling van toepassing. In dat geval zijn er twee mogelijkheden:
- Het totale bedrag aan vergoedingen voor de verkopen in de EU-lidstaat blijft zowel in het voorafgaande kalenderjaar als het huidige kalenderjaar onder een drempelbedrag dat per lidstaat verschilt. Voor Nederland geldt overigens een drempelbedrag van € 100.000. In deze situatie is de plaats waar het vervoer begint de plaats van levering. De ondernemer brengt dus btw tegen het Nederlandse tarief in rekening en draagt deze ook af.
- In andere gevallen moet de ondernemer het btw-tarief hanteren van de staat van aankomst van het goed.
MOSS-regeling
Ondernemer die telecommunicatie-, omroep- of elektronische diensten leveren aan particulieren in andere EU-landen, kunnen de Mini-One-Stop-Shop-regeling (MOSS-regeling) toepassen. Tenminste, als de omzet behaald met die digitale diensten in een kalenderjaar en het kalenderjaar daarvoor niet meer dan € 10.000 bedraagt. Als de ondernemer de regeling mag toepassen, hoeft hij alleen btw te betalen in het vestigingsland voor de MOSS-regeling. Hij hoeft zich niet te laten registreren in alle landen waar zijn consumenten gevestigd zijn. Bovendien hoeft hij slechts in één land btw af te dragen.
Vrijstelling geringe invoer
Soms kopen consumenten goederen buiten de EU die zij meenemen naar Nederland. Dit is een vorm van invoer. Vóór 1 juli 2021 geldt bij invoer door consumenten echter een vrijstelling van btw en invoerrechten als de waarde van de ingevoerde goederen hoogstens € 22 bedraagt. Is de waarde meer dan € 22, maar maximaal € 150? Dan is men btw-verschuldigd. En bij een waarde van meer dan € 150 ook invoerrechten.
Vanaf 1 juli 2021: One-Stop-Shop-regeling
Vanaf 1 juli 2021 luidt de hoofdregel dat een btw-ondernemer btw moet afdragen in andere EU-lidstaten als de omzet van zijn afstandsverkopen en digitale diensten aan consumenten uit andere EU-lidstaten de grens van € 10.000 per jaar overschrijdt. In het geval van een overschrijding van die grens kan een ondernemer via een nieuw systeem de verschuldigde buitenlandse btw aangeven. Dit nieuwe systeem is het One-Stop-Shop-systeem (OSS-systeem). Via de OSS-aangifte verdeelt de Nederlandse Belastingdienst de btw-opbrengsten over de rechthebbende landen.
Invoer OSS-aangifte
Vanaf 1 juli 2021 zal de btw-ondernemer goederen afkomstig uit niet-EU-landen met een waarde van hooguit € 150 kunnen rapporteren in een invoer OSS-aangifte (I-OSS). Daarbij is de invoer van goederen uit niet-EU-landen vrijgesteld van btw. Deze regeling geldt trouwens niet alleen voor btw-ondernemers uit de EU. Noorse btw-ondernemers en niet-EU btw-ondernemers met een vertegenwoordiger in de EU zullen deze regeling ook mogen toepassen. Wie deelneemt aan de I-OSS-regeling, ontvangt een speciaal btw-identificatienummer. Dit nummer dient men te verstrekken aan de douane voor de btw-vrijstelling van invoer.
Vervallen vrijstelling bij invoer
Vanaf 1 juli 2021 moeten consumenten ook bij een invoer van goederen met een waarde van hooguit € 22 btw afdragen en invoerrechten betalen. Partijen buiten de EU mogen kiezen of ze de verantwoordelijkheid bij de consument laten of dat ze het pakketje voorzien van een eigen OSS-nummer. In dat laatste geval dragen zij daarmee automatisch de btw af.
Wet: art. 5, eerste lid, onderdeel a, 5a en 18 Wet OB 1968
Bron: Taxence 16 feb 2021: Carola Van Vilsteren BTW advies 12 februari 2021, ‘BTW-nieuwtje 05: BTW en wijzigingen e-commerce per 1 juli 2021’
De Belastingdienst heeft een document met antwoorden op veelgestelde vragen over de persoonsgebonden aftrekposten in de inkomstenbelasting 2019 gepubliceerd.
In het document ‘Vragen en antwoorden over persoonsgebonden aftrekposten’ staan antwoorden op vragen over:
Uitgaven voor specifieke zorgkosten, bijvoorbeeld:
- voedingssupplementen
- de kosten van een bezoek aan de bedrijfsarts
- de contributie voor de belangenvereniging
- extra vervoerskosten
- startdatum Ivf-behandeling
- hulpmiddelen (zoals stomadouche; opsta-stoel; bril kleurenblindheid)
Scholingsuitgaven zoals:
- scholingsuitgaven en studiefinanciering
- scholingsuitgaven voorgeschoten door ouders
- kosten deelname aan congressen
- terugbetalen studiekosten aan de werkgever
- lidmaatschapskosten van beroeps- of wetenschappelijke verenigingen
Aftrekbare giften met vragen over:
- tegenprestatie
- periodieke giften
- schenking van certificaten van aandelen
- onzekerheidsvereiste bij twee schenkers
- een ouderbijdrage aan school
Bron: Forum Fiscaal Dienstverleners, 16 februari 2021
Hof Amsterdam oordeelt in twee zaken dat de vermogensrendementsheffing over 2017 geen buitensporige last vormt voor personen die ruim boven de armoedegrens blijven.
Een vrouw en een man (geen fiscale partners) waren allebei in beroep gegaan tegen aanslagen inkomstenbelasting over 2017. Zij vonden dat de vermogensrendementsheffing voor hen een buitensporige en onevenredig zware last vormde. Beiden deden een beroep op twee eerdere uitspraken waarin het hof oordeelde dat de box 3-heffing te hoog was. Zie: ‘Ook in 2013 was forfaitair rendement box 3 te hoog’ en ‘Box 3-heffing over 2014 is te hoog’.
Niet-onaanzienlijk vermogen
Het hof constateert dat de vrouw en de man dankzij hun netto-inkomen ruim boven de armoedegrens bleven. Beiden hadden bovendien een niet-onaanzienlijk vermogen. Daardoor vormt de vermogensrendementsheffing voor hen geen buitensporige last. Wel is het zo dat voor beiden de vermogensrendementsheffing over 2017 meer bedraagt dan de genoten inkomsten uit vermogen. In het geval van de vrouw is de box 3-heffing zelfs zo’n 30% hoger. Maar dat is volgens het hof onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Verder worden de vrouw en de man niet harder getroffen door de box 3-heffing dan anderen. Daarom verklaart het hof hun beroepschriften ongegrond.
Verdrag: art 14 EVRM
Protocol: art. 1 EP EVRM
Wet: 5.2 Wet IB 2001 (wettekst 1 januari 2017)
Bron: Taxence, Remco Latour, 2 oktober 2020; Hof Amsterdam 22 september 2020 (gepubliceerd 30 september 2020), ECLI:NL:GHAMS:2020:2540, 19/01551 en Hof Amsterdam 22 september 2020 (gepubliceerd 30 september 2020), ECLI:NL:GHAMS:2020:2541, 20/00121