Als de eigenaar van een bestelauto een (houten) zitbank klemvast aanbrengt in deze auto, is deze auto geschikt voor personenvervoer. Uit een uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden blijkt dat de auto dan misschien niet meer kwalificeert als een bestelauto voor de motorrijtuigenbelasting. Zo’n situatie kan leiden tot een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting.

In de zaak voor het hof had de Belastingdienst geconstateerd dat in de bestelauto van een ondernemer een houten L-vormige bank klemvast en met een passende uitsparing was gezet. De inspecteur meende dat het tussenschot van de bestelauto was aangepast of dat de bank op maat was gemaakt voor de auto. Hoe dan ook stelde hij dat de auto nu geschikt was voor personenvervoer en niet meer kwalificeerde als bestelauto, maar als personenauto. De ondernemer was het daar niet mee eens. Hij stelde dat de bank niets meer was dan een tuinbank die hij in een tuincentrum had gekocht. Hij kon echter geen factuur van dat tuincentrum overleggen, zodat het hof hem niet gelooft. De man had evenmin foto’s gemaakt die beter waren dan de foto’s van de Belastingdienst. Het hof is het eens met de fiscus dat de auto geschikt voor personenvervoer is geworden. Dat de bank geen kussens of gordels bevat, doet daar niets aan af. De auto kwalificeert sinds de plaatsing van de bank als een personenauto, zodat de inspecteur terecht motorrijtuigenbelasting heeft nageheven.

 

Wet: art. 2, onderdelen b en c en 3 Wet MRB 1994

Meer informatie: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 4 september 2018 (gepubliceerd 7 september 2018), ECLI:NL:GHARL:2018:7885

Bron: Taxence, 10 september 2015, door Remco Latour


Verstrekt een dga een lening aan zijn B.V., waarbij de B.V. een zakelijke rente en aflossingen betaalt en een (beperkte) zakelijke zekerheid stelt? En verbindt de B.V. zich het onderpand niet zonder schriftelijke toestemming van de dga te verkopen? Dan is de lening zakelijk en is de afwaardering aftrekbaar.

Een dga droeg de economische eigendom van een Spaanse woning in 2007 over aan een B.V. waarvan hij indirect 100%-aandeelhouder was tegen schuldigerkenning. De juridische eigendom bleef achter bij de dga. In de overeenkomst van geldlening die B.V. met de dga daarvoor aanging waren afspraken gemaakt over de verschuldigde rente door de B.V. en aflossingen. Ook mocht de B.V. de Spaanse woning niet zonder toestemming van de dga verkopen. Bovendien verklaarde de B.V. op verzoek van de dga een hypotheekrecht ten behoeve de dga te zullen vestigen. In 2010 verkocht de B.V. de economische eigendom van de Spaanse woning. Dit leverde een verlies van € 75.000 op en dat bracht de dga als negatief resultaat uit overige werkzaamheden in aftrek.

Zakelijke afspraken

In geschil bij Rechtbank Gelderland is of de dga terecht het verlies in aftrek heeft gebracht. De rechtbank oordeelt dat dit het geval is. Er is geen sprake van een schijnlening, er wordt een zakelijke rente betaald, er is een looptijd afgesproken en de lening is opeisbaar bij verkoop van de het onderpand, de Spaanse woning of de aandelen in de B.V. Deze afspraken zijn zakelijk. De toegevoegde waarde van het stellen van zekerheid is weliswaar beperkt, maar dat komt omdat is overeengekomen dat de B.V. alleen met toestemming van de dga de woning mag verkopen. Het stellen van een beperkte zekerheid is dan ook zakelijk. Bovendien waren ten tijde van de overdracht van de economische eigendom in 2007 de negatieve ontwikkelingen op de vastgoedmarkt door de dga en de B.V. niet voorzienbaar. Daarmee verwerpt de rechtbank ook het argument dat de dga uit was op een fiscaal voordeel. De dga mag het verlies van € 75.000 in mindering brengen op zijn box 1-inkomen.

Wet: art. 3.92 Wet IB 2001

Meer informatie: Rechtbank Gelderland 10 juli 2018 (gepubliceerd 19 juli 2018), ECLI:NL:RBGEL:2018:3009

Bron: Taxence, 20 juli 2018 door M. Halters


Denkt u dat het overleggen van betalingskwitanties voldoende is om aannemelijk te maken dat u(w cliënt) een gift heeft gedaan? Zowel de Belastingdienst als Rechtbank Gelderland meent dat de gift toch niet aftrekbaar is als zij niet is terug te vinden in de kasadministratie van de desbetreffende goededoelenorganisatie!

Een vrouw wilde een bedrag van € 1.520 aan giften van haar echtgenoot aan een instelling aftrekken in haar aangifte inkomstenbelasting. Om te bewijzen dat de schenkingen ook echt waren gedaan, overlegde ze betalingskwitanties. Ook toonde zij bankafschriften waaruit bleek dat op de data van de kwitanties bedragen van de bank waren opgenomen die overeenkwamen met de schenkingen volgens de kwitanties. Ten slotte had zij een verklaring overlegd van de instelling, waarin stond vermeld dat haar partner in totaal € 1.520 had geschonken. Maar toen de inspecteur de kasadministratie van die instelling controleerde, vond hij nergens deze giften terug. De vrouw stelde dat zij niet verantwoordelijk was voor fouten in de administratie van de instelling. Dit kon haar echter niet baten, omdat niet kwam vast te staan dat sprake was van een fout in de administratie. De rechtbank oordeelt daarom dat de Belastingdienst de giftenaftrek mag weigeren.

Meer informatie: Rechtbank Gelderland 12 juli 2018 (gepubliceerd 19 juli 2018), ECLI:NL:RBGEL:2018:2991

Bron: Taxence, 19-07-2018 door R. Latour


Marjo Jacobs mei 31, 2018

Het kabinet wil per 1 januari 2019 de termijn van de 30%-regeling verkorten van acht naar vijf jaar. Dat laat Staatssecretaris Snel weten in reactie op de evaluatie van de 30%-regeling. Aan die evaluatie heeft ook het RB – op eigen initiatief – deelgenomen.

Volgens de evaluatie gebruikt circa 80% van de werknemers de regeling niet langer dan vijf jaar. Van de overige circa 20% die de regeling wel tot acht jaar gebruikt vestigt een substantieel deel zich niet tijdelijk, maar langdurig in Nederland. Daarnaast hanteren omringende landen met vergelijkbare regelingen vrijwel allemaal een looptijd van vijf jaar.

Het kabinet is van plan de wijzigingen op te nemen in het pakket Belastingplan 2019 dat op Prinsjesdag openbaar wordt. Daarbij zal ook worden bepaald dat de vergoeding van de werkelijke extraterritoriale kosten beperkt blijft tot maximaal vijf jaar.

Let op: Als het aan het kabinet ligt gaat de verkorting van de termijn ook gelden voor reeds bestaande gevallen.

Bron: RB Plaza, 24-04-2018


Als een B.V. met enige regelmaat opnamen in rekening-courant door de dga boekt als ‘voorschot salaris’ voor haar dga, leidt dat tot het genieten van nettolonen door die dga als die opnamen niet in de loonheffingen zijn betrokken.

Een dga werkte namens zijn houdstervennootschap op basis van een managementovereenkomst voor een werkmaatschappij. Deze betaalde hiervoor een managementvergoeding van € 180.000 (exclusief omzetbelasting) betaald aan de houdstervennootschap. De dga ontving een brutoloon van circa € 100.000. Tijdens een boekenonderzoek constateerde de Belastingdienst dat in de grootboekadministratie opnamen in rekening-courant waren geboekt als ‘voorschot salaris’. Deze voorschotten waren niet opgenomen in de salarisadministratie. De inspecteur corrigeerde de lonen door de opnamen in rekening-courant te bruteren en hiervoor naheffingsaanslagen op te leggen. In geschil is of de inspecteur de aanslagen loonheffingen terecht heeft opgelegd. Hof Den Haag geeft de inspecteur gelijk. Het bevestigt het standpunt van de rechtbank. Het hof oordeelde in navolging van de rechtbank dat de inspecteur niet de afroommethode had gebruikt. De inspecteur had voor bepaling van het gebruikelijk loon aansluiting gezocht bij de betaalde managementvergoeding. Deze managementvergoeding is zakelijk en heeft betrekking op de verrichte arbeid van de dga. De vergoeding voor managementdiensten geeft aan welke waarde de werkmaatschappij toekende aan de door de dga voor die werkmaatschappij verrichte diensten Het staat volgens het hof ook vast dat de dga in de desbetreffende jaren regelmatig, niet in de loonheffingen betrokken, opnamen in rekening-courant heeft gedaan als ‘voorschot salaris’. Dat deze opnamen op een later moment zijn afgelost of verrekend maakt dit niet anders. Het hof geeft de inspecteur gelijk en laat de naheffingsaanslagen in stand.

Bron: Taxence, door Michel Halters, 30 mei 2018


Volgens het Europese Hof van Justitie moet een samengestelde prestatie of dienst, die bestaat uit twee te onderscheiden elementen waarvoor verschillende btw-tarieven gelden, worden belast tegen het btw-tarief van het hoofdelement. Zelfs als de prijs per element bepaald kan worden.

Indien een prestatie of dienst wordt verricht die uit meerdere elementen bestaat en die elementen vormen op zichzelf een prestatie of dienst waarop verschillende btw-tarieven van toepassing zijn, ontstaat er nog al eens discussie over welk btw-tarief op de hele prestatie van toepassing is. Zo ook in het geval van de Amsterdam ArenA die voor één prijs rondleidingen in het stadion verzorgde met daarbij inbegrepen een bezoek aan het Ajax-museum. Het stadion was van mening dat voor de rondleiding het lage btw-tarief kon worden toegepast. De inspecteur vond dat het algemene tarief moest worden toegepast en legde naheffingsaanslagen op.

In de (langlopende) procedure was al vastgesteld dat op de rondleiding (inclusief het museumbezoek) het algemene tarief van toepassing was. Er is geen sprake van het toegang verlenen tot een permanent ingerichte voorziening voor vermaak en dagrecreatie. Wel is er een duidelijk onderscheid tussen de rondleiding en het museumbezoek. Uiteindelijk heeft de Hoge Raad prejudiciële vragen gesteld aan het Europese Hof van Justitie en wilde weten of een dienst, die voor de heffing van btw een enkele prestatie is, maar die is samengesteld uit twee of meer concrete en specifieke elementen waarvoor, als deze als afzonderlijke diensten zouden worden verricht, verschillende btw-tarieven gelden, de heffing van btw ter zake van deze samengestelde dienst moet plaatsvinden naar de onderscheiden tarieven die voor die elementen gelden wanneer de vergoeding voor de dienst naar een juiste verhouding van de elementen kan worden gesplitst.

Het Europese Hof heeft aangegeven dat één enkele prestatie, zoals door het stadion is verricht, die bestaat uit twee te onderscheiden elementen, moet worden belast tegen het tarief dat wordt bepaald aan de hand van het hoofdelement, ook al is het mogelijk de omvang van de vergoeding voor elk element te bepalen.

Bron: Taxence, door Annemiek Zwaan, 9 mei 2018


Vermogende particulieren willen nog wel eens een lening verstrekken aan familieleden die wat krap in hun liquide middelen zitten. Heeft u ook het voornemen om zo’n lening te verstrekken, zorg dan ervoor dat u voldoende aandacht besteedt aan de op te stellen leningsvoorwaarden, zoals de rente. Anders riskeert u dat de inspecteur de overboeking aanmerkt als een schenking.

Bij lenen binnen familieverband is de hoogte van de overeengekomen rentevergoeding een aandachtspunt. Als deze te laag is, zal de Belastingdienst de lening misschien aanmerken als een verkapte schenking. Als de lening direct opeisbaar is, dient men de rente op zijn minst te stellen op 6%. Als de partijen een lagere rente overeenkomen, zal de fiscus een voordeel in aanmerking genomen alsof sprake is van een vruchtgebruik. De inspecteur berekent de waarde van het voordeel in dat geval dus op (6% -/- verschuldigde rente) x waarde vordering. Overigens vindt alsnog geen heffing plaats voor de schenkbelasting als de jaarlijkse vrijstelling te benutten is. Als de lening niet direct opeisbaar is, moeten de partijen een zakelijke (markt)rente overeenkomen. Daarbij moet men ook kijken naar de voorwaarden die zijn gesteld. Als bij verstrekking van een lening voor de eigen woning bijvoorbeeld hypothecaire zekerheid ontbreekt, kan dit een aanleiding zijn om hogere rente te berekenen.
Taxence, door Remco Latour, 31 mei 2018

Voor zover de premies van een afgekochte lijfrentepolis niet zijn afgetrokken, mag de Belastingdienst geen revisierente in rekening brengen. Als de premies volgens de wet aftrekbaar waren, moet de belastingplichtige van Rechtbank Gelderland echter bewijzen dat de premies toch niet (volledig) zijn afgetrokken.

Een vrouw had medio 1995 een lijfrenteverzekering afgesloten. Eind november 2000 was zij arbeidsongeschikt geworden en stopte de premieplicht van de verzekering. De opbouw in de verzekering ging wel door. In 2012 overleed de vrouw en een paar jaar later kocht haar echtgenoot de lijfrentepolis af. In geschil was of de man revisierente moest betalen over de (volle) afkoopwaarde van de polis. De man stelde dat hij op zijn minst de saldomethode mocht toepassen omdat zijn vrouw destijds niet alle premies had afgetrokken. Maar deze bewering kon hij niet met stukken onderbouwen. De rechtbank constateert dat de premies wettelijk gezien aftrekbaar waren en gaat ervan uit dat de vrouw de premies ook heeft afgetrokken. Bovendien oordeelt de rechtbank dat de premies die de verzekeraar sinds eind november 2000 heeft toegevoegd niet kwalificeren als betalingen van de lijfrentepremie. Zij staan de aftrek van de lijfrentepremie dus niet in de weg. De rechtbank oordeelt daarom dat de Belastingdienst terecht de revisierente over de gehele afkoopsom berekent.

Meer informatie: Rechtbank Gelderland 4 mei 2018 (gepubliceerd 16 mei 2018), ECLI:NL:RBGEL:2018:2076


Door achterwaartse verliesverrekening bij de fiscaal partner, kan het recht op uitbetaling van de heffingskortingen in een jaar tenietgaan. De Belastingdienst kan de uitbetaalde heffingskortingen navorderen binnen acht weken na de onherroepelijke aanslag of beschikking aan de partner waarin de verliesverrekening plaatsvindt.

Een man had een fiscaal partner met een zodanig hoog inkomen in 2009 dat de man recht had op uitbetaling van de gecombineerde heffingskorting van € 2092. De man had zelf geen inkomen en had dus recht op uitbetaling van voornoemde gecombineerde heffingskorting. De fiscaal partner van de man had in 2012 echter een negatief inkomen en daardoor recht op achterwaartse verliesverrekening met het jaar 2009. Door deze verrekening had de partner zelf ook geen belastbaar inkomen meer. Daarom heeft de Belastingdienst aan de man een aanslag opgelegd om de uitbetaalde heffingskortingen terug te vorderen. In geschil was of de navorderingsaanslag rechtsgeldig was opgelegd. Rechtbank Noord-Nederland oordeelt dat de gecombineerde heffingskorting ten onrechte aan de man was uitbetaald door de verliesverrekening bij zijn partner. De Belastingdienst kon daarom een navorderingsaanslag opleggen. Daarvoor was wel vereist dat de Belastingdienst deze aanslag uiterlijk tot acht weken na het tijdstip waarop de aanslag van de partner of een beschikking strekkende tot vermindering van de aanslag van de partner onherroepelijk was geworden. De rechtbank verklaarde het beroep van de man ongegrond.

 

Wet: Art. 3.148, 3.150, 8.9 Wet IB 2001 en art. 16 (lid 6) AWR

Meer informatie: Rechtbank Noord-Nederland 23 oktober 2017 (gepubliceerd op 5 maart 2018), ECLI:NL:RBNNE:2017:4211

bron: Taxence 7 maart 2018 door Michel Halters


In de jaren 2008 tot en met 2012 heeft de Belastingdienst bij vele belastingplichtigen ten onrechte de inkomensafhankelijke combinatiekorting (iack) toegekend. Advocaat-generaal (A-G) IJzerman concludeert dat navordering van de iack niet is toegestaan als de inspecteur na de uitwerping van de aangifte bij de handmatige beoordeling heeft gemist dat ten onrechte de iack is toegekend.

In de desbetreffende zaak had een man in zijn gewijzigde aangifte inkomstenbelasting over 2010 aangegeven dat hij recht had op zelfstandigenaftrek. Het aangifteprogramma kruiste daardoor automatisch de iack aan. Het computersysteem van de fiscus wierp de gewijzigde aangifte uit omdat de man mogelijk ten onrechte ondernemingsfaciliteiten claimde. Naar aanleiding van het uitwerpen van de aangifte stelde de inspecteur de man enkele vragen over zijn onderneming. Bij het opleggen van de aanslag kende de fiscus de man niet de zelfstandigenaftrek toe, maar wel de iack. In 2014 ontdekte de Belastingdienst het probleem met de iack en wilde deze onder andere bij de man navorderen. Volgens de fiscus is navordering mogelijk omdat de iack als gevolg van een systeemfout is toegekend. De A-G stelt dat de rol van de systeemfout is geëindigd na de uitwerping van de aangifte. De inspecteur is toen overgegaan op handmatige controle. Als hij de aangifte zorgvuldig had gecontroleerd, had hij ontdekt dat de iack ten onrechte was toegekend. Daarmee heeft hij volgens de A-G een beoordelingsfout gemaakt die navordering in de weg staat.

 

Wet: art. 8.14a Wet IB 2001 en art. 16, tweede, lid AWR

Meer informatie: Parket bij de Hoge Raad 20 februari 2018 (gepubliceerd 9 maart 2018), ECLI:NL:PHR:2018:180

Bron: Taxence 12 maart 2018, door Remco Latour


Logo Mitchell Klijs
Gemaakt en onderhoud door:
Mitchell Klijs