Als een B.V. met enige regelmaat opnamen in rekening-courant door de dga boekt als ‘voorschot salaris’ voor haar dga, leidt dat tot het genieten van nettolonen door die dga als die opnamen niet in de loonheffingen zijn betrokken.

Een dga werkte namens zijn houdstervennootschap op basis van een managementovereenkomst voor een werkmaatschappij. Deze betaalde hiervoor een managementvergoeding van € 180.000 (exclusief omzetbelasting) betaald aan de houdstervennootschap. De dga ontving een brutoloon van circa € 100.000. Tijdens een boekenonderzoek constateerde de Belastingdienst dat in de grootboekadministratie opnamen in rekening-courant waren geboekt als ‘voorschot salaris’. Deze voorschotten waren niet opgenomen in de salarisadministratie. De inspecteur corrigeerde de lonen door de opnamen in rekening-courant te bruteren en hiervoor naheffingsaanslagen op te leggen. In geschil is of de inspecteur de aanslagen loonheffingen terecht heeft opgelegd. Hof Den Haag geeft de inspecteur gelijk. Het bevestigt het standpunt van de rechtbank. Het hof oordeelde in navolging van de rechtbank dat de inspecteur niet de afroommethode had gebruikt. De inspecteur had voor bepaling van het gebruikelijk loon aansluiting gezocht bij de betaalde managementvergoeding. Deze managementvergoeding is zakelijk en heeft betrekking op de verrichte arbeid van de dga. De vergoeding voor managementdiensten geeft aan welke waarde de werkmaatschappij toekende aan de door de dga voor die werkmaatschappij verrichte diensten Het staat volgens het hof ook vast dat de dga in de desbetreffende jaren regelmatig, niet in de loonheffingen betrokken, opnamen in rekening-courant heeft gedaan als ‘voorschot salaris’. Dat deze opnamen op een later moment zijn afgelost of verrekend maakt dit niet anders. Het hof geeft de inspecteur gelijk en laat de naheffingsaanslagen in stand.

Bron: Taxence, door Michel Halters, 30 mei 2018


Volgens het Europese Hof van Justitie moet een samengestelde prestatie of dienst, die bestaat uit twee te onderscheiden elementen waarvoor verschillende btw-tarieven gelden, worden belast tegen het btw-tarief van het hoofdelement. Zelfs als de prijs per element bepaald kan worden.

Indien een prestatie of dienst wordt verricht die uit meerdere elementen bestaat en die elementen vormen op zichzelf een prestatie of dienst waarop verschillende btw-tarieven van toepassing zijn, ontstaat er nog al eens discussie over welk btw-tarief op de hele prestatie van toepassing is. Zo ook in het geval van de Amsterdam ArenA die voor één prijs rondleidingen in het stadion verzorgde met daarbij inbegrepen een bezoek aan het Ajax-museum. Het stadion was van mening dat voor de rondleiding het lage btw-tarief kon worden toegepast. De inspecteur vond dat het algemene tarief moest worden toegepast en legde naheffingsaanslagen op.

In de (langlopende) procedure was al vastgesteld dat op de rondleiding (inclusief het museumbezoek) het algemene tarief van toepassing was. Er is geen sprake van het toegang verlenen tot een permanent ingerichte voorziening voor vermaak en dagrecreatie. Wel is er een duidelijk onderscheid tussen de rondleiding en het museumbezoek. Uiteindelijk heeft de Hoge Raad prejudiciële vragen gesteld aan het Europese Hof van Justitie en wilde weten of een dienst, die voor de heffing van btw een enkele prestatie is, maar die is samengesteld uit twee of meer concrete en specifieke elementen waarvoor, als deze als afzonderlijke diensten zouden worden verricht, verschillende btw-tarieven gelden, de heffing van btw ter zake van deze samengestelde dienst moet plaatsvinden naar de onderscheiden tarieven die voor die elementen gelden wanneer de vergoeding voor de dienst naar een juiste verhouding van de elementen kan worden gesplitst.

Het Europese Hof heeft aangegeven dat één enkele prestatie, zoals door het stadion is verricht, die bestaat uit twee te onderscheiden elementen, moet worden belast tegen het tarief dat wordt bepaald aan de hand van het hoofdelement, ook al is het mogelijk de omvang van de vergoeding voor elk element te bepalen.

Bron: Taxence, door Annemiek Zwaan, 9 mei 2018


Vermogende particulieren willen nog wel eens een lening verstrekken aan familieleden die wat krap in hun liquide middelen zitten. Heeft u ook het voornemen om zo’n lening te verstrekken, zorg dan ervoor dat u voldoende aandacht besteedt aan de op te stellen leningsvoorwaarden, zoals de rente. Anders riskeert u dat de inspecteur de overboeking aanmerkt als een schenking.

Bij lenen binnen familieverband is de hoogte van de overeengekomen rentevergoeding een aandachtspunt. Als deze te laag is, zal de Belastingdienst de lening misschien aanmerken als een verkapte schenking. Als de lening direct opeisbaar is, dient men de rente op zijn minst te stellen op 6%. Als de partijen een lagere rente overeenkomen, zal de fiscus een voordeel in aanmerking genomen alsof sprake is van een vruchtgebruik. De inspecteur berekent de waarde van het voordeel in dat geval dus op (6% -/- verschuldigde rente) x waarde vordering. Overigens vindt alsnog geen heffing plaats voor de schenkbelasting als de jaarlijkse vrijstelling te benutten is. Als de lening niet direct opeisbaar is, moeten de partijen een zakelijke (markt)rente overeenkomen. Daarbij moet men ook kijken naar de voorwaarden die zijn gesteld. Als bij verstrekking van een lening voor de eigen woning bijvoorbeeld hypothecaire zekerheid ontbreekt, kan dit een aanleiding zijn om hogere rente te berekenen.
Taxence, door Remco Latour, 31 mei 2018

Voor zover de premies van een afgekochte lijfrentepolis niet zijn afgetrokken, mag de Belastingdienst geen revisierente in rekening brengen. Als de premies volgens de wet aftrekbaar waren, moet de belastingplichtige van Rechtbank Gelderland echter bewijzen dat de premies toch niet (volledig) zijn afgetrokken.

Een vrouw had medio 1995 een lijfrenteverzekering afgesloten. Eind november 2000 was zij arbeidsongeschikt geworden en stopte de premieplicht van de verzekering. De opbouw in de verzekering ging wel door. In 2012 overleed de vrouw en een paar jaar later kocht haar echtgenoot de lijfrentepolis af. In geschil was of de man revisierente moest betalen over de (volle) afkoopwaarde van de polis. De man stelde dat hij op zijn minst de saldomethode mocht toepassen omdat zijn vrouw destijds niet alle premies had afgetrokken. Maar deze bewering kon hij niet met stukken onderbouwen. De rechtbank constateert dat de premies wettelijk gezien aftrekbaar waren en gaat ervan uit dat de vrouw de premies ook heeft afgetrokken. Bovendien oordeelt de rechtbank dat de premies die de verzekeraar sinds eind november 2000 heeft toegevoegd niet kwalificeren als betalingen van de lijfrentepremie. Zij staan de aftrek van de lijfrentepremie dus niet in de weg. De rechtbank oordeelt daarom dat de Belastingdienst terecht de revisierente over de gehele afkoopsom berekent.

Meer informatie: Rechtbank Gelderland 4 mei 2018 (gepubliceerd 16 mei 2018), ECLI:NL:RBGEL:2018:2076


Door achterwaartse verliesverrekening bij de fiscaal partner, kan het recht op uitbetaling van de heffingskortingen in een jaar tenietgaan. De Belastingdienst kan de uitbetaalde heffingskortingen navorderen binnen acht weken na de onherroepelijke aanslag of beschikking aan de partner waarin de verliesverrekening plaatsvindt.

Een man had een fiscaal partner met een zodanig hoog inkomen in 2009 dat de man recht had op uitbetaling van de gecombineerde heffingskorting van € 2092. De man had zelf geen inkomen en had dus recht op uitbetaling van voornoemde gecombineerde heffingskorting. De fiscaal partner van de man had in 2012 echter een negatief inkomen en daardoor recht op achterwaartse verliesverrekening met het jaar 2009. Door deze verrekening had de partner zelf ook geen belastbaar inkomen meer. Daarom heeft de Belastingdienst aan de man een aanslag opgelegd om de uitbetaalde heffingskortingen terug te vorderen. In geschil was of de navorderingsaanslag rechtsgeldig was opgelegd. Rechtbank Noord-Nederland oordeelt dat de gecombineerde heffingskorting ten onrechte aan de man was uitbetaald door de verliesverrekening bij zijn partner. De Belastingdienst kon daarom een navorderingsaanslag opleggen. Daarvoor was wel vereist dat de Belastingdienst deze aanslag uiterlijk tot acht weken na het tijdstip waarop de aanslag van de partner of een beschikking strekkende tot vermindering van de aanslag van de partner onherroepelijk was geworden. De rechtbank verklaarde het beroep van de man ongegrond.

 

Wet: Art. 3.148, 3.150, 8.9 Wet IB 2001 en art. 16 (lid 6) AWR

Meer informatie: Rechtbank Noord-Nederland 23 oktober 2017 (gepubliceerd op 5 maart 2018), ECLI:NL:RBNNE:2017:4211

bron: Taxence 7 maart 2018 door Michel Halters


In de jaren 2008 tot en met 2012 heeft de Belastingdienst bij vele belastingplichtigen ten onrechte de inkomensafhankelijke combinatiekorting (iack) toegekend. Advocaat-generaal (A-G) IJzerman concludeert dat navordering van de iack niet is toegestaan als de inspecteur na de uitwerping van de aangifte bij de handmatige beoordeling heeft gemist dat ten onrechte de iack is toegekend.

In de desbetreffende zaak had een man in zijn gewijzigde aangifte inkomstenbelasting over 2010 aangegeven dat hij recht had op zelfstandigenaftrek. Het aangifteprogramma kruiste daardoor automatisch de iack aan. Het computersysteem van de fiscus wierp de gewijzigde aangifte uit omdat de man mogelijk ten onrechte ondernemingsfaciliteiten claimde. Naar aanleiding van het uitwerpen van de aangifte stelde de inspecteur de man enkele vragen over zijn onderneming. Bij het opleggen van de aanslag kende de fiscus de man niet de zelfstandigenaftrek toe, maar wel de iack. In 2014 ontdekte de Belastingdienst het probleem met de iack en wilde deze onder andere bij de man navorderen. Volgens de fiscus is navordering mogelijk omdat de iack als gevolg van een systeemfout is toegekend. De A-G stelt dat de rol van de systeemfout is geëindigd na de uitwerping van de aangifte. De inspecteur is toen overgegaan op handmatige controle. Als hij de aangifte zorgvuldig had gecontroleerd, had hij ontdekt dat de iack ten onrechte was toegekend. Daarmee heeft hij volgens de A-G een beoordelingsfout gemaakt die navordering in de weg staat.

 

Wet: art. 8.14a Wet IB 2001 en art. 16, tweede, lid AWR

Meer informatie: Parket bij de Hoge Raad 20 februari 2018 (gepubliceerd 9 maart 2018), ECLI:NL:PHR:2018:180

Bron: Taxence 12 maart 2018, door Remco Latour


Als de inspecteur het eens is met de strekking van een bezwaarschrift, moet hij dit bezwaarschrift gegrond verklaren en eventueel een kostenvergoeding toekennen. Hij kan niet volstaan met een ambtshalve vermindering.

In een zaak voor Rechtbank Gelderland had een maatschap een bezwaarschrift ingediend tegen twee naheffingsaanslagen omzetbelasting. In afwachting van de uitspraak op bezwaar had zij verzocht om uitstel van betaling. De Belastingdienst verleende dit uitstel, maar stuurde de maatschap toch een aanmaning en later een dwangbevel toe. De maatschap diende toen onder meer een bezwaar in tegen het dwangbevel. De inspecteur verminderde daarop de vervolgingskosten tot nihil. Vervolgens verklaarde hij het bezwaar tegen het dwangbevel niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang. De rechtbank vond dat onbegrijpelijk. De rechter oordeelde dat de Belastingdienst het bezwaar gegrond had moeten verklaren. De maatschap had immers een belang bij het bezwaar omdat de vervolgingskosten pas later op nihil werden gesteld.  De rechtbank oordeelde ten slotte dat de maatschap recht had op vergoedingen voor de kosten van bezwaar en beroep.

 

Besluit: onderdeel A1 Bijlage Besluit proceskosten bestuursrecht

Meer informatie: Rechtbank Gelderland 5 februari 2018 (gepubliceerd 6 februari 2018), ECLI:NL:RBGEL:2018:492

Bron: Fiscaal Nieuws, 7 februari 2018, Remco Latour


Marjo Jacobs februari 9, 2018

Om de WOZ-waarde van winkelpanden te bepalen is het bouwjaar van die panden van ondergeschikt belang. Voor panden op een A-locatie zijn met name de ligging en de loopstroom van belang.

De eigenaresse van twee winkelpanden op A-locatie in Nijmegen was het niet eens met de door de gemeente vastgestelde WOZ-waarde voor 2017. De panden waren in 1955 gebouwd. Partijen waren het erover eens dat de waarde van de panden moest worden bepaald aan de hand van de kapitalisatie van de brutohuur (HWK-methode). De eigenaresse vond dat de in het taxatierapport gebruikte referentieobjecten niet vergelijkbaar waren met haar panden. De oppervlaktes van andere panden weken te veel af en een van de objecten was uit 1900.

Volgens de heffingsambtenaar was voor de winkelpanden het bouwjaar van ondergeschikt belang, al had hij in het taxatierapport wel rekening gehouden met het bouwjaar. Volgens de gemeente waren vooral de ligging en de loopstroom bepalend voor de huurprijs per vierkante meter. De basis voor de waardering is de gemiddelde huurprijs (primaire huurwaarde) van de optimale vierkante meters, de zogeheten A-zone in een winkel. Daarbij wordt rekening gehouden met de diepte van de winkel en de oppervlakte. Rechtbank Gelderland is van mening dat de heffingsambtenaar de door hem gehanteerde huurwaarde daarmee aannemelijk heeft gemaakt. De referentieobjecten, die aan dezelfde drukke winkelstraat liggen, waren voldoende vergelijkbaar met de winkels van de eigenaresse. In de taxatierapporten was voldoende rekening gehouden met de verschillen en dan met name met de grootte.

 

Wet: artikel 17 Wet WOZ

Meer informatie: Rechtbank Gelderland 1 februari 2018 (gepubliceerd 6 februari 2018), ECLI:NL:RBGEL:2018:468

Bron: Fiscaal Nieuws, Remco Latour, 08 februari 2018


Marjo Jacobs januari 17, 2018

Nadat vele beroepen tegen de forfaitaire vermogensrendementsheffing ongegrond zijn verklaard, heeft Hof Amsterdam nu de kritiek van belanghebbenden erkend. Het hof heeft geoordeeld dat in 2014 de vermogensrendementsheffing een verboden schending van het recht op eigendom vormt. Met een reactie van Cor Overduin, die als fiscaal specialist van Grant Thornton de Bond van Belastingbetalers bijstaat in deze zaak.

Het hof haalde eerdere arresten aan, waarin de Hoge Raad had geoordeeld dat het forfaitair rendement van 4% pas in strijd is met het EVRM als dit rendement gedurende een lange reeks van jaren niet meer valt te halen. In het jaar 2011 was volgens de Hoge Raad nog niet voldaan aan deze voorwaarde. Zie: ‘Hoge Raad houdt box 3 in stand’. Hof Amsterdam heeft nu gekeken naar het jaar 2014. Volgens het hof is van belang welk reëel rendement een particulier die weinig risico wil nemen, kan behalen gedurende een lange reeks van jaren. De rechter ging daarbij mede uit van een overzicht in het eindrapport van de Commissie Van Dijkhuizen ‘Naar een activerender belastingstelsel’. Uit dit overzicht blijkt dat over de jaren 2001 – 2012 het gemiddelde jaarlijkse reële rendement op spaarrekeningen 0,5% was. Het hof leidt uit dit aanzienlijke verschil af dat in 2014 de risicomijdende particuliere belegger over een lange periode geen reëel rendement van 4% had kunnen behalen. De box 3-heffing van 1,2% (forfaitair rendement x 30% belasting) was in 2014 geen proportionele heffing meer. Het hof liet echter de aanslag in stand. Het wil namelijk de wetgever enige tijd gunnen om de situatie die op zichzelf een schending van het eigendomsrecht vormt, te beëindigen. Daarbij wees het hof op de gewijzigde box 3-heffing per 1 januari 2017. Voor rechtsherstel zal men naar een hogere rechter moeten stappen.

 

Reactie Cor Overduin

Taxence vroeg Cor Overduin, die de Bond voor Belastingbetalers bijstaat in deze zaak, om een reactie. ‘Ik ben blij dat dit Hof ons standpunt volledig onderschrijft, lees: de realiteit anno 2014 week toen al langere tijd te sterk af van wat de wetgever destijds als basis voor de 4%-norm heeft gehanteerd. En dus is het wettelijke box 3-systeem op zichzelf in strijd met Europees recht. Dat is een mooie constatering. Het Hof achtte zichzelf echter niet de partij om rechtsherstel te bieden. Dat rechtsherstel kan wel door de Hoge Raad geboden worden. De grote vraag is of de Hoge Raad dat durft. Tot nu toe heeft de Hoge Raad dat nooit aangedurfd, waarbij ik vermoed dat dat rechtscollege het budgettaire belang daarvan te groot acht. Mocht de Hoge Raad het niet aandurven, dan ligt de weg naar het Europese Hof voor de Rechten van de Mens nog open. Kortom: de wedstrijd is nog niet gespeeld maar dit is een hele mooie etappewinst.’

 

Wet: artikel 5.2 Wet IB 2001 per 1 januari 2014

Verdrag: artikel 1, Eerste Protocol EVRM

Meer informatie: Hof Amsterdam 16 januari 2018 (gepubliceerd 17 januari 2018), ECLI:NL:GHAMS:2018:83

Bron: Taxence fiscaal nieuws voor professionals, 17 Januari


Verricht iemand als gastouder werkzaamheden gedurende meer dan 20 jaar? En heeft die gastouder meerdere kinderen van meerdere gastouders opgevangen en een bruto-omzet van circa € 15.000 per jaar? Dan kwalificeert die persoon als ondernemer voor de inkomstenbelasting.

Een vrouw verrichtte vanaf 1990 werkzaamheden als gastouder en stond ingeschreven in het Landelijk Register Kinderopvang en Peuterzalen. Ook was zij ingeschreven als gastouder bij de Kamer van Koophandel. Met de opvang van meerdere kinderen behaalde de vrouw over een reeks van jaren circa € 15.000 omzet per jaar. In geschil bij Rechtbank Den Haag was of de vrouw ondernemer was en of de vrouw voldeed aan het urencriterium.

Financiële risico’s

De rechtbank oordeelde dat de vrouw kwalificeerde als ondernemer. Zij vond van belang dat de vrouw de werkzaamheden al vanaf 1990 verrichtte en dit op meerdere dagen per week deed. De gastouder had bovendien overeenkomsten gesloten voor de opvang van acht kinderen met zes vraagouders. Over een reeks van jaren, genoot de vrouw als gastouder een bruto bate van ongeveer € 15.000 per jaar met die opvang. Ook vond de rechtbank relevant dat de vrouw een aantal financiële risico’s kon lopen, zoals gastouders die niet betaalden, inkomensrisico bij ziekte, vakanties en omzetverlies vanwege opzeggingen door vraagouders. De inspecteur voerde ook nog aan dat de vrouw onvoldoende zelfstandigheid bezat vanwege de rol van de bemiddelingsbureaus. De rechtbank verwierp dit verweer. De vrouw was nagenoeg geheel zelfstandig en was niet onderworpen aan strakke regels, controle en toezicht van de gastouderbureaus. De onderneemster sloot zelf overeenkomsten met de vraagouders en had de vrijheid om te bepalen hoeveel uur zij werkte en wanneer zij werkte. Aan de geringe omvang van de investeringen kwam geen betekenis toe, dat was inherent aan de aard van de activiteiten, kinderopvang op het woonadres van de vrouw. De rechtbank vond ook de tijdsbesteding van 1.599 uur geloofwaardig. Dit was gebaseerd op een opvang gedurende gemiddeld 3,8 dagen per week, 7,3 uur per dag en 49 weken per jaar, waardoor de vrouw ook aan het urencriterium voldeed en recht had op zelfstandigenaftrek.

 

Wet: Art. 3.4 en 3.6 Wet IB 2001

Meer informatie: Rechtbank Den Haag 29 december 2017 (gepubliceerd op 4 januari 2018), ECLI:NL:RBDHA:2017:15433

Bron: Taxence, fiscaal nieuws voor professionals, door Michel Halters